Dossier levensverzekeringen - 2. Het huwelijksvermogensrechtelijk statuut van individuele levensverzekeringen in het nieuwe huwelijksvermogensrecht

19 november 2018

Naast het hervormde erfrecht is ook het hervormde huwelijksvermogensrecht op 1 september 2018 in werking getreden. Eén van de krachtlijnen van het huwelijksvermogensrecht heeft betrekking op de kwalificatie van goederen van echtgenoten gehuwd onder het wettelijk stelsel (eigen goed, gemeenschappelijk goed of titre-finance-goed). Deze kwalificatie is voor diverse aspecten van belang (bestuurshandelingen, vergoedingen, schuldeisers, enzoverder). Omdat de bestaande wetgeving op dit vlak onvolledig of verouderd was, werd dit in de hervorming aangepakt. Het verbaast ons niet dat ook het huwelijksvermogensrechtelijk statuut van de individuele levensverzekering onder handen werd genomen en het voorwerp uitmaakt van nieuwe kwalificatieregels. Dit maakt immers een einde aan de rechtsonzekerheid die sedert 26 mei 1999 bestond.

Het wettelijk stelsel

Echtgenoten die bij hun huwelijkssluiting geen keuze hebben gemaakt omtrent hun huwelijksvermogensstelsel zijn gehuwd onder het wettelijk stelsel. Het is echter ook mogelijk om bij huwelijkscontract te kiezen voor het wettelijk stelsel.

Het typerende kenmerk van het wettelijk stelsel is het bestaan van drie vermogens. Elke echtgenoot heeft een eigen vermogen en de echtgenoten hebben samen een gemeenschappelijk vermogen. Het Burgerlijk Wetboek voorziet in verschillende kwalificatieregels zodanig dat duidelijk wordt welke goederen behoren tot het eigen vermogen van een echtgenoot en welke tot het gemeenschappelijk vermogen. Wanneer tijdens het huwelijk het ene vermogen verrijkt is ten nadele van een ander vermogen, moet dit bij de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel worden vergoed.

Wanneer een echtgenoot een individuele levensverzekering afsluit, moet worden nagegaan hoe dit goed wordt gekwalificeerd en of er al dan niet een vergoeding verschuldigd is.

Wat hierna volgt, heeft dus enkel betrekking op individuele levensverzekeringen afgesloten door echtgenoten die onder een gemeenschapsstelsel zijn gehuwd.

Situatie voor de hervorming van het huwelijksvermogensrecht

Het huwelijksvermogensrechtelijk statuut van individuele levensverzekeringen werd geregeld door de Wet op de Landverzekeringsovereenkomst. Deze bepalingen voorzagen dat verzekeringsaanspraken steeds een eigen goed waren van de begunstigde echtgenoot (ongeacht het tijdstip van de verzekeringsuitkering). De begunstigde echtgenoot kan de echtgenoot van de verzekeringnemer zijn, maar kon ook de verzekeringnemer zelf zijn.

De vraag rijst wat er moet gebeuren indien premies met gemeenschapsgelden werden betaald. Dit is zeker niet ondenkbeeldig aangezien onder meer beroepsinkomsten gemeenschappelijk zijn. Op basis van de algemene regels inzake vergoedingen, voorzien in het Burgerlijk Wetboek, zou er in dit geval een vergoeding moeten worden betaald door het eigen vermogen van de begunstigde echtgenoot aan de gemeenschap. Het eigen vermogen van deze echtgenoot is immers bevoordeeld ten nadele van de gemeenschap.

De Wet op de Landverzekeringsovereenkomst kent echter een afwijkende regeling: in principe is er geen vergoeding verschuldigd, tenzij de premiebetalingen kennelijk overdreven zijn in verhouding tot de mogelijkheden van het gemeenschappelijk vermogen. In het laatste geval is slechts vergoeding verschuldigd voor het overdreven gedeelte van de betaalde premies.

Op 26 mei 1999 heeft het Arbitragehof bovenstaande regeling die voortvloeit uit de Wet op de Landverzekeringsovereenkomst ongrondwettelijk verklaard. Dit betekent dat het afwijken van de normale vergoedingsregels wanneer de premiebetalingen voor een individuele levensverzekering zijn gebeurd met gemeenschappelijke gelden en de levensverzekeringsprestatie wordt gekwalificeerd als een eigen goed, discriminerend is. Het was echter onduidelijk of dit betekende dat een individuele levensverzekering een eigen goed behoorde te zijn, maar waarbij rekening moest worden gehouden met een vergoedingsplicht (wanneer hierin werd geïnvesteerd met gemeenschappelijke gelden) of dat een kwalificatie als gemeenschappelijk goed zich opdrong.

Situatie na de hervorming van het huwelijksvermogensrecht

De hervorming van het huwelijksvermogensrecht maakt een einde aan deze rechtsonzekerheid door in een nieuwe regeling te voorzien met betrekking tot het huwelijksvermogensrechtelijk statuut van individuele levensverzekeringen. Hierbij moet een onderscheid gemaakt worden tussen drie situaties.

Hypothese 1: verzekerde prestatie is niet opeisbaar bij ontbinding van het huwelijk

→ eigen, mits vergoeding

In een dergelijk situatie wordt het huwelijk ontbonden voordat de levensverzekering opeisbaar is geworden. De oorzaak van de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel is van geen belang. Het kan gaan om de ontbinding van het huwelijk door overlijden van (de niet verzekerde) echtgenoot, door echtscheiding, scheiding van tafel en bed of een gerechtelijke scheiding van goederen of door de conventionele overgang naar een ander huwelijksvermogensstelsel met de ontbinding van het vorig huwelijksvermogensstelsel tot gevolg.

Een voorbeeld van een polis die niet opeisbaar wordt bij ontbinding van het huwelijk betreft o.a. een levensverzekering met dekking bij overlijden, die niet uitkeert bij echtscheiding. De loutere echtscheiding heeft immers geen enkele impact op het voortbestaan van deze polis.

Voor de toepassing van dit artikel moet de verzekeringnemer een gehuwde persoon (onder het wettelijk stelsel) zijn. Aan de persoon van de verzekerde en van de begunstigde worden geen specifieke voorwaarden gekoppeld. Deze kunnen de verzekeringnemer, zijn echtgenoot of een derde zijn. Het betreft zowel verzekeringen die voorzien in een dekking bij leven als deze die voorzien in een dekking bij overlijden.

De kwalificatieregels bepalen dat in deze hypothese de vorderbare netto-afkoopwaarde van het levensverzekeringscontract (op datum van ontbinding van het wettelijk stelsel) een eigen goed is van de verzekeringnemer, maar dat een vergoeding verschuldigd is indien de premies met gemeenschappelijke gelden werden betaald.

De omvang van de vergoeding wordt begroot overeenkomstig de algemene regel uit artikel 1435 BW. Minstens is er een vergoeding verschuldigd voor de betaalde premies (zelfs indien de vorderbare netto-afkoopwaarde bij ontbinding van het huwelijk kleiner is dan de som van de betaalde premies). Indien de vorderbare netto-afkoopwaarde bij ontbinding van het huwelijk groter is dan de som van de betaalde premies, dan zal de vergoeding gelijk zijn aan de vorderbare netto-afkoopwaarde.

Hypothese 2: verzekerde prestatie wordt opeisbaar bij de ontbinding van het huwelijk

→ eigen, al dan niet mits vergoeding

Indien de verzekerde prestatie opeisbaar wordt bij de ontbinding van het huwelijk is de verzekeringsprestatie telkens een eigen goed van de begunstigde echtgenoot.

Een voorbeeld van dergelijke polis, is de polis die uitkeert bij het overlijden (hetgeen de ontbinding van het huwelijk tot gevolg heeft) van één van de echtgenoten die tevens de verzekerde is, op wiens hoofd de polis was gevestigd.

Inzake de vergoedingsplicht moet een onderscheid worden gemaakt naargelang de levensverzekering werd gesloten door een echtgenoot in eigen voordeel (een zogenaamde ABA-polis), dan wel door de overleden echtgenoot in het voordeel van zijn langstlevende echtgenoot (een zogenaamde AAB-polis). In het eerste geval is er een vergoeding verschuldigd voor premies betaald met gemeenschapsgelden. In het tweede geval zal geen vergoeding verschuldigd zijn ook al werden de premies met gemeenschapsgelden betaald.

Hypothese 3: verzekerde prestatie tijdens het huwelijk

→ gemeenschappelijk, mits vergoeding

In een derde geval kan de uitkering van de verzekerde prestatie reeds hebben plaatsgevonden tijdens het huwelijk. Een typisch voorbeeld hiervan is de levensverzekering die tot uitkering komt wanneer de (nog steeds gehuwde) verzekeringnemer (tevens begunstigde) de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. In dat geval komt deze uitkering terecht in het gemeenschappelijk vermogen. In de mate waarin de premies echter betaald werden met eigen gelden van één van de echtgenoten, is er een vergoeding verschuldigd.

Kortom de nieuwe wettelijke regels voorzien in duidelijke kwalificatieregels met inbegrip van vergoedingsregels die overeenstemmen met de algemene regels van het wettelijk stelsel.

Groepsverzekeringen?

Deze nieuwe regels gelden evenwel niet voor groepsverzekeringen. Nochtans heeft het Grondwettelijk Hof op 27 juli 2011 de bepalingen uit de Wet op de Landverzekeringsovereenkomst evenzeer ongrondwettelijk verklaard voor groepsverzekeringen. De regels inzake het huwelijksvermogensrechtelijk statuut van groepsverzekeringen kaderen echter in de pensioenhervorming en werden om deze reden niet geregeld door de hervorming van het huwelijksvermogensrecht.

Wenst u op de hoogte te blijven? Volg Cazimir op LinkedIn!

« Terug naar overzicht