The content of this page is only available in Dutch.
De maatschap is een vennootschapsvorm zonder rechtspersoonlijkheid die vaak wordt gebruikt in het kader van de vermogens- en successieplanning, veelal om een gestage overdracht van het familiale vermogen naar de volgende generatie te kunnen begeleiden. Sinds de inwerkingtreding van de nieuwe meerwaardebelasting op financiële activa (op 1 januari 2026) rijzen vragen rond de gevolgen van deze belasting op de maatschap en de financiële activa die deze aanhoudt. Pro memorie wordt de meerwaardebelasting (zoals vervat in het nieuwe artikel 90, eerste lid, 9° WIB 1992) geheven op de meerwaarde die wordt gerealiseerd bij de overdracht onder bezwarende titel van financiële activa.
De maatschap is een vennootschapsvorm zonder rechtspersoonlijkheid die vaak wordt gebruikt in het kader van de vermogens- en successieplanning, veelal om een gestage overdracht van het familiale vermogen naar de volgende generatie te kunnen begeleiden. Sinds de inwerkingtreding van de nieuwe meerwaardebelasting op financiële activa (op 1 januari 2026) rijzen vragen rond de gevolgen van deze belasting op de maatschap en de financiële activa die deze aanhoudt. Pro memorie wordt de meerwaardebelasting (zoals vervat in het nieuwe artikel 90, eerste lid, 9° WIB 1992) geheven op de meerwaarde die wordt gerealiseerd bij de overdracht onder bezwarende titel van financiële activa.
Gelet op het gebrek aan rechtspersoonlijkheid behouden de vennoten de activa die de maatschap aanhoudt in een (doelgebonden) onverdeeldheid, waarbij de onverdeelde aandelen die elk van de vennoten in elk van de activa in het maatschapsvermogen wordt bepaald door de deelbewijs-participaties. Om deze reden wordt de maatschap ook geacht fiscaal transparant te zijn, zodat de inkomsten die uit de activa worden verkregen a rato deze participatie belastbaar zullen zijn in hoofde van de vennoten.
De zakenrechtelijke realiteit van de maatschap is op het eerste gezicht moeilijk te verzoenen met de nieuwe meerwaardebelasting. Dit kan worden verduidelijkt door middel van een voorbeeld:
Stel dat persoon A en B respectievelijk een effectenportefeuille en een vordering op een operationele vennootschap wensen in te brengen in een maatschap, elk met een waarde van 500.000 euro. De totale ingebrachte waarde is dan 1 mio. euro. In ruil zullen zij elk 50% van de bij inbreng uitgegeven deelbewijzen ontvangen. Door het gebrek aan rechtspersoonlijkheid zullen A en B beiden voor de helft onverdeeld eigenaar worden van zowel de effectenportefeuille als de vordering, wat veronderstelt dat zij elk afstand moeten doen van de helft van de (voordien exclusieve) eigendom van het zelf ingebrachte goed.
Aangezien A in “ruil” voor deze afstand van de onverdeelde helft van de effectenportefeuille, de onverdeelde helft van de vordering ontvangt, wordt deze overdracht gekwalificeerd als “overdracht onder bezwarende titel” en zal de eventuele meerwaarde onderworpen worden aan de nieuwe meerwaardebelasting. Hierbij geldt evenwel de nuance dat eventuele aandelen (maar niet de andere financiële activa) in de effectenportefeuille vrijgesteld zouden zijn van meerwaardebelasting op grond van artikel 96/2, eerste lid, 4° WIB 1992 (met een “doorrol” van de aanschaffingswaarde), wat uiteraard niet altijd evident te verwerken zal zijn. We zullen van deze vrijstelling voorlopig even abstractie maken.
Indien de globale aanschaffingswaarde van de effectenportefeuille voor A oorspronkelijk 300.000 euro bedraagt (dus 150.000 euro voor 50% van de portefeuille die wordt afgestaan aan B), zal zij dus een belastbare meerwaarde realiseren ten belope van 100.000 euro. De meerwaarde wordt berekend door 250.000 euro, zijnde de actuele waarde van het onverdeeld aandeel van 50% van de vordering die van B wordt verkregen, te verminderen met de aanschaffingswaarde van het onverdeeld deel van 50% in de effectenportefeuille die wordt afgestaan aan B, nl. 150.000 euro.
De realisatie van de meerwaarde op de vordering (volgens dezelfde principes) is daarentegen in principe geen belastbaar feit, zolang de vordering als zodanig niet kwalificeert als een financieel actief.
Het gebrek aan rechtspersoonlijkheid van de maatschap maakt dus dat bij elke verrichting met betrekking tot de maatschap moet worden nagegaan of de eigendom van de in het maatschapsvermogen ingebrachte goederen verschuift en of er hierbij een “ruil” tussen de vennoten en dus (bij een of meerdere van hen een) realisatiemoment tot stand komt met betrekking tot financiële activa. Naast de initiële oprichting, moet deze check ook worden gemaakt bij bijvoorbeeld een bijkomende inbreng, een uittreding uit de maatschap en uiteindelijk zelfs bij een ontbinding, waar dergelijke “ruil” zich ook kan voordoen, zelfs met betrekking tot de reeds in het maatschapsvermogen aanwezige financiële activa, bijvoorbeeld omdat de deelgerechtigdheden in de maatschap en de daarin vervatte activabestanddelen wijzigen.
In het verslag van de eerste lezing in de Kamercommissie bevestigde de Minister van Financiën dat er geen realisatiemoment ontstaat wanneer een reeds bestaande onverdeeldheid ongewijzigd wordt “verdergezet” in de maatschap (Parl.St. Kamer 2025-26, nr. 56-1244/004, p. 168).
Stel bijvoorbeeld dat A en B reeds elk voor de helft onverdeeld eigenaar waren van bovenstaande effectenportefeuille en vordering. Wanneer zij deze activa nu inbrengen in een maatschap, blijven zij elk de onverdeelde helft van deze activa behouden, zelfs indien ze hiervoor ook deelbewijzen in ruil verkrijgen, zonder dat de verhouding van de rechten tussen beide personen wijzigt. Er vindt dus geen overdracht plaats en kan dus geen meerwaarde worden gerealiseerd.
Het inbrengen en het uitbrengen van financiële activa in de maatschap is an sich dus geen probleem voor de meerwaardebelasting, het probleem is het wijzigen van de (onverdeelde) eigendomsrechten met betrekking tot de onderliggende financiële activa, zoals in ons voorgaande voorbeeld tot uiting is gekomen.
Merk op dat de Minister nog een stapje verder ging tijdens de tweede lezing in de Kamercommissie (Parl.St. Kamer 2025-26, nr. 56-1244/007, p. 25-26), waarbij hij verwees naar de uiteenzettingen van professor Haelterman (zoals aanvankelijk weergegeven op zijn persoonlijke blogpost). Hierin lijkt de Minister te bevestigen dat ook de (zoals professor Haelterman het noemt) “aanbreng” van identieke financiële activa door verschillende personen in een maatschap, waarbij elk van hen in verhouding tot de ingebrachte waarde deelbewijzen verkrijgt, geen realisatiemoment uitmaakt, want de samenstelling van het vermogen van elk van deze personen blijft hetzelfde, waardoor dit niet tot een belastingheffing kan leiden. Indien A en B dus respectievelijk 300 en 100 aandelen van vennootschap Y inbrengen, zou dit volgens de Minister (gebaseerd op de zienswijze van professor Haelterman) geen aanleiding mogen geven tot een belastbare overdracht, althans voor zover zij bij de inbreng 75% respectievelijk 25% van de aandelen verkrijgen. Ondanks de zakenrechtelijke “ruil” die bij de inbreng van de exclusieve eigendom van aandelen van vennootschap Y in de maatschap tot stand komt, blijven A en B met name “dezelfde” activa aanhouden (ditmaal weliswaar in onverdeeldheid), waardoor er zich geen realisatiemoment zou kunnen voordoen.
De circulaire dd. 22 juli 2026 (2026/C/74) lijkt dit nu opnieuw met duidelijke voorbeelden te bevestigen (cfr. randnr. 90), en deze bevestiging zelfs uit te breiden naar de uitbreng uit de maatschap (en vermoedelijk dus ook bij de uitonverdeeldheidtreding in navolging op de ontbinding van de maatschap) (cfr. randnr. 111).
Ons kantoor heeft onlangs een ruling bekomen in het kader van de meerwaardebelasting die het bovenstaande principe bevestigt met betrekking tot een bijkomende inbreng in een maatschap.
In casu zijn A en B vennoten van een reeds bestaande maatschap, waarvan A 0,03% van de deelbewijzen in volle eigendom aanhoudt en 63,86% van de deelbewijzen in vruchtgebruik en B 36,11% van de deelbewijzen in volle eigendom aanhoudt en 63,86% van de deelbewijzen in blote eigendom (100% van de deelbewijzen in totaal). In het maatschapsvermogen zitten diverse financiële activa (en andere activa).
In het kader van de familiale vermogensplanning van A, wenst A een effectenportefeuille bijkomend in te brengen in de maatschap. Veiligheidshalve werd een ruling aangevraagd aan de rulingcommissie (DVB).
Concreet werd gevraagd of:
kan leiden tot een heffing van de nieuwe meerwaardebelasting (op basis van artikel 90, eerste lid, 9° WIB 1992) of een heffing in het kader van het abnormaal beheer (op basis van (thans) artikel 90, eerste lid, 1° WIB 1992). Ook werd de vraag gesteld naar de toepassing van de algemene antimisbruikbepaling (artikel 344, § 1 WIB 1992).
Uiteraard heeft de voorafgaande schenking van onverdeelde aandelen in de financiële activa geen toepassing van de meerwaardebelasting tot gevolg, want dit betreft een kosteloze rechtshandeling.
Op basis van de voormelde toelichting van de Minister tijdens de parlementaire voorbereidingen van de wet, zou er ingevolge de schenking bovendien een perfect “symmetrische” onverdeeldheid ten aanzien van de reeds bestaande (doelgebonden) onverdeeldheid in de maatschap kunnen worden ingebracht (die op dat moment dus het “spiegelbeeld” van elkaar uitmaken), waarbij de deelgerechtigdheden in de ingebrachte financiële activa of in de reeds in het maatschapsvermogen vervatte financiële activa niet wijzigen. Hierbij wordt er ook enkel bijkomend ingebracht door reeds participerende vennoten, vertegenwoordigen de door elk van hen ingebrachte vermogensbestanddelen een waarde in de totale bijkomende inbreng die in verhouding staat tot de waarde van de door elk van hen reeds gehouden deelbewijs-participatie en wordt ook de reeds bestaande gesplitste zakenrechtelijke verhouding gerespecteerd. Hierdoor moeten er geen nieuwe deelbewijzen worden uitgegeven. De deelbewijs-participaties van de reeds participerende vennoten blijven per slot van rekening ook na de bijkomende inbreng ongewijzigd.
Er kan met andere woorden geen sprake zijn van een overdracht, noch van een realisatie bij het verrichten van deze bijkomende inbreng in hoofde van A of B, zodat de voorwaarden voor de toepassing van de meerwaardebelasting niet vervuld zijn.
De DVB heeft ons nu bevestigd dat dergelijke inbreng, geen aanleiding zal geven tot de heffing van enige meerwaardebelasting. Op deze manier is het dus mogelijk om bijkomende activa in te brengen of activa uit te brengen zonder dat de transactie meerwaardebelasting triggert. Dit betekent echter niet dat hierdoor minder belasting verschuldigd zal zijn. De belasting wordt enkel uitgesteld naar een later tijdstip. Bij een latere overdracht onder bezwarende titel van de financiële activa zal met name naar de oorspronkelijke aanschaffingswaarde van de schenker (in casu A) gekeken worden.
De DVB oordeelde ook dat de symmetrische inbreng in casu niet gekwalificeerd zal worden als abnormaal beheer van het privévermogen in de zin van artikel 90, eerste lid, 1° WIB 1992, aangezien de inbreng kadert binnen een ruimere familiale vermogens- en successieplanning, er geen sprake is van speculatie en er zich gewoonweg geen realisatie voordoet. Ook werd bevestigd dat de algemene antimisbruikbepaling van artikel 344, § 1 WIB 1992 in casu niet kan worden toegepast.
Indien A de financiële activa echter had ingebracht zonder voorafgaande schenking, zou er meerwaardebelasting verschuldigd zijn door A op de meerwaarde gerealiseerd door afstand van het onverdeeld aandeel in de effectenportefeuille dat B ingevolge de inbreng “extra” zou ontvangen op basis van diens deelbewijs-participatie. Anderzijds zou ook B dan ook een onverdeeld aandeel van de reeds in het maatschapsvermogen aanwezige financiële activa hebben moeten afstaan aan A, aangezien deze laatste nu een grotere deelbewijs-participatie houdt in de maatschap en de participatie van B dienovereenkomstig vermindert. Zowel A als B hadden dan mogelijk geconfronteerd geworden met een heffing in de nieuwe meerwaardebelasting.
Ondoordachte handelingen met betrekking tot financiële activa en/of een maatschap kunnen bijgevolg fiscaal nadelige gevolgen met zich meebrengen. Het is echter mogelijk om hierop te anticiperen en deze gevolgen te temperen of uit te sluiten op basis van een goed begrip van de nieuwe meerwaardebelasting en rekening houdende met de bijkomende toelichting die ons nu ter beschikking staat in de parlementaire voorbereiding en (zeer recent ook) de nieuwe circulaire die klaarblijkelijk door de DVB worden gevolgd. Bent u benieuwd wat deze veranderingen concreet voor uw situatie betekenen? Ons team staat u graag bij met advies en begeleiding.